Show/Hide Toolbars

Nextens IB

Navigatie: Aangifte buitenlander

Heffingskortingen buitenlander

Scroll Vorig Top Volgend Meer

Bij Heffingskortingen van buitenlanders spelen twee ingewikkelde kwesties:

- Welk inkomen wordt gebruikt voor de berekening van (met name de afbouw van) heffingskortingen?

- Wanneer geldt tijdsevenredige vermindering van een heffingskorting en hoe wordt die dan berekend?

Hieronder volgt uitleg van een en ander. In voorkomende gevallen is het handig om in het onderdeel Rapportage maken / Printonderdelen voor eigen dossier de aandachtspunten af te drukken. Daar wordt een uitsplitsing en berekening van enkele heffingskortingen gegeven.

 

Uitvraag

De Belastingdienst gebruikt voor de elementen van het wereldinkomen verschillende onderdelen van de uitvraag:

Iemand die (een deel van het jaar) premieplichtig is moet al zijn Box 1 inkomen ingeven in aangifte en onder Aanslagen/Wereldinkomen PH voor buitenlandse componenten van het hiervan. De niet onder Nederlandse PH-plicht vallende inkomsten kunt u bij Aangifte 4000.00 Premieplicht weer aftrekken, Bij gedeelte van het jaar premieplichtig zijn speelt (alleen nog) tijdsevenredige maximering van het maximale premie-inkomen. Voor de berekening van de premie-component van de heffingskortingen wordt uitgegaan van het wereldinkomen (dus voor aftrek van elders verzekerde bedragen).

Iemand die kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is moet zijn wereldinkomen compleet ingeven (onder Aanslagen/Wereldinkomen PH).

Vanaf 2017 moet ook iemand die onder de non-discriminatie bepaling valt (bijv. wonen in België en Nederlands inkomen genieten) opgaaf doen van zijn Wereldinkomen, dus ook de buitenlandse componenten opgeven bij Wereldinkomen.

Vanaf 2017 moet iemand die niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is en arbeidsinkomen in Nederland geniet ook zijn buitenlandse arbeidsinkomen invullen, zodat de (aftopping) van de arbeidskorting kan worden berekend.

 

Onze voorspelling van heffingskortingen is dus gebaseerd op de bedragen die de Belastingdienst heeft uitgevraagd. Dat betekent bijvoorbeeld dat de oudere niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtige met premieplicht de ouderenkorting krijgt, ook als hij een zeer groot buitenlands vermogen (en dus wereldverzamelinkomen) heeft. Dit buitenlandse vermogen hoeft hij niet op te geven.

Een ander gevolg hiervan is dat het inkomen dat gebruikt wordt voor de heffingskortingen IB en PH gelijk is. Zodra er immers PH-inkomen wordt verzonden gebruikt de Belastingdienst die bedragen.

 

Inkomen voor heffingskortingen

De wettelijke regels zijn hierbij niet helemaal duidelijk. Nadat hierover op het Forum Fiscaal Dienstverleners een vraag is gesteld, is daar op 5 maart 2018 door de Belastingdienst het volgende antwoord gegeven.

 

De arbeidskorting (zowel het IB- als het PH-deel) wordt afgetopt op basis van het wereldinkomen. Dat volgt uit de wet: artikel 8.11 Wet IB 2001 spreekt namelijk van ‘arbeidsinkomen’. Het begrip ‘arbeidsinkomen’ is in artikel 8.1 Wet IB 2001 uitgewerkt: ‘het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als (…)’.

De algemene heffingskorting (zowel het IB- als het PH-deel) moet ook worden afgetopt op basis van het wereldinkomen. Daar kan twijfel over ontstaan, omdat artikel 8.10. Wet IB 2001 spreekt van aftopping op basis van het ‘belastbare inkomen uit werk en woning’. De bedoeling van de wetgever is om af te toppen op basis van het wereldinkomen: een heffingskorting beoogt rekening te houden met iemands (volledige) draagkracht. Dat is ook het standpunt van de Belastingdienst. Voor de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige volgt dat letterlijk uit de wet. Artikel 7.8 lid 5, Wet IB 2001 vermeldt dat je uitgaat van het ‘volgens de regels voor binnenlandse belastingplichtige berekende inkomen’.  Voor degene die op grond van de non-discriminatiebepaling uit een belastingverdrag recht krijgt op de algemene heffingskorting staat hetzelfde principe beschreven in onderdeel 5 van het Besluit van april 2010, nlr. DGB2010/568M.

 

Voorbeeld

Iemand verdient in Nederland met huidige arbeid € 10.000 en verhuist in april naar Canada en verdient daar met loon nog eens € 60.000. Op grond van zijn Nederlands inkomen zou hij een veel hogere arbeidskorting hebben dan wanneer zijn buitenlandse inkomen meetelt. Het standpunt van de Belastingdienst is echter dat het buitenlandse inkomen moet worden meegenomen zodat de afbouw kan worden toegepast.

 

Echter

In juni 2018 gaf het Gerechtshof Den Haag een belanghebbende gelijk die bezwaar maakte tegen de afbouw van de algemene heffingskorting t.g.v. vrijgesteld inkomen,  ECLI:NL:GHDHA:2018:1495. Bij het schrijven van deze tekst (juni 2018) is nog niet duidelijk of dit gevolgen zal hebben.

 

Ouderenkorting en box 3 verdeling

De berekening van ouderenkorting van fiscale jaarpartners met box 3 inkomen blijkt ingewikkeld. Een ouder echtpaar met een 50/50 juridische eigendom verdeling van uitsluitend Nederlands bezit (zeg 40.000 voordeel uit sparen en beleggen per persoon voor de vaststelling van het 90%-criterium)  zijn beiden kwalificerende buitenlandse belastingplichtige en mogen op grond van artikel 2.17 het gezamenlijk bezit verdelen, waardoor een van beiden een lager verzamelinkomen krijgt dan de grens voor de hoge ouderenkorting (dit verzamelinkomen wordt ook vermeld op de aanslag van de Belastingdienst). De Belastingdienst rekent echter met het juridische inkomen (het wereldinkmen) wat geen van beiden recht op de korting geeft. Daarmee wordt de buitenlandse belastingplichtige anders behandeld dan de binnenlandse (en ook anders dan bijvoorbeeld de verdeling die wel kan worden toegepast bij de eigen woning).

UIteraard dient eventueel buitenlands box 3 inkomen te worden bijgeteld bij het (verdeelde) Nederlandse box 3 inkomen, maar dat kan op op de volgende (door ons toegepaste) manier: Bereken per persoon het voordeel uit box 3 over het juridisch bezit in Nederland en het totale bezit. Het verschil daartussen is een bijtelpost.

 

Tijdsevenredigheid heffingskortingen

De tijdsevenredigheid van het premie-deel van de heffingskortingen wordt bepaald door de periode premieplicht die u invult op scherm Aangifte/4000. Premieplicht.

De tijdsevenredigheid van het IB-deel van de heffingskortingen wordt bepaald door de periode die u invult op scherm Persoon/Buitenlandse situatie bij Periode kwalificerend en/of non-discriminatie. Bij een M-biljet van iemand die niet kwalificerend is (en niet valt onder de non-discriminatie-bepaling) is dat (automatisch) de Nederlandse periode.

 

Let op!

Het IB-deel van de arbeidskorting (en andere arbeidsgerelateerde heffingskortingen zoals de combinatiekorting) wordt niet tijdsevenredig herrekend.

 

Zie Rapportage maken / Printonderdelen voor eigen dossier de keuze Aandachtspunten voor afdruk van de berekening.